Fragment 2 uit IJsbarbaar

1625: Nunôk is in Nederland terechtgekomen. Tijdens zijn zwerftocht valt hij in handen van een Amsterdamse chirurgijn die een medisch experiment op hem wil uitvoeren:

Hou je van voorlezen? Klik dan op   en luister naar Eline

Het Theatrum Anatomicum was rond en wit. Hoge glas-in-loodramen filterden het harde middaglicht. In het midden van de kleine zaal stond een roodgeverfde houten snijtafel. Daarop lag een jongen; zijn armen en benen waren vastgebonden met leren banden. De jongen was naakt en mager, zijn ogen waren dicht.

Op de tafel lagen enkele instrumenten klaar voor gebruik: scherpe messen met zwarte houten handvatten, een zaag, een vergrootglas, een passer, een glazen trechter en drie lege flessen met een brede hals. Op de vloer stond een tonnetje waar koude damp af sloeg.

Om de tafel heen zaten meer dan twintig studenten op halfronde banken. Hun geroezemoes verstomde toen de chirurgijns binnenkwamen.

Een van hen, gekleed in het zwart met een witgesteven kanten kraag, keek de zaal rond. Hij zette zijn hoge hoed af en legde die achter zich op een tafeltje. De man zag er deftig uit; hij had een sikje en op zijn neus stond een ijzeren bril. Hij wachtte tot het helemaal stil was.

"Geachte aanwezigen," zei de professor, "bent vandaag getuige van een medisch experiment dat nooit eerder in onze beschaafde wereld heeft plaatsgevonden." Hij wachtte even om het belang van deze mededeling tot iedereen te laten doordringen.

De jongen op de snijtafel bewoog. Hij probeerde overeind te komen, maar de leren banden hielden hem tegen.

De professor stond met zijn rug naar hem toe. Hij wees over zijn schouder. "We hebben hier," zei hij, "een bijzonder geval: een jonge barbaar, die onze zeelieden hebben meegebracht van een reis naar de ijzigste streken van onze aardbol."

De studenten zagen dat de jongen op de snijtafel zijn spieren spande en met al zijn kracht probeerde de banden te breken.

Een van de studenten stak aarzelend zijn vinger op. "Professor..." zei hij.

"Niet in de rede vallen!" zei de professor streng. "Vragen stellen kan straks. Deze barbaar, die niets dan rauw vlees eet, beschikt over een heel bijzondere eigenschap..."

De studenten trokken rare gezichten. De professor glimlachte, want hij dacht dat ze dat deden omdat ze, net als hij, het eten van rauw vlees erg onbeschaafd vonden.

Achter hem lukte het de jongen om een arm uit de leren band te wringen. De studenten keken met open mond toe.

"Het lichaam van deze wildeman," ging de professor verder, "is bestand tegen extreme kou. We gaan vandaag onderzoeken hoe dat kan. Het zou van groot belang zijn als onze Nederlandse soldaten die momenteel tegen de Spaanse bezetters vechten, ook zo goed tegen de vrieskou konden. Dan zouden we die smerige Spanjolen in één winter uit ons land kunnen verdrijven! Het is jammer dat we deze belangrijke proeven in het geheim moeten verrichten. Sommige mensen snappen niet dat voor de wetenschap offers moeten worden gebracht."

De jongen had nu allebei zijn armen vrij en trok aan de banden die zijn benen omknelden.

"Ik heb hier een vat met ijs staan, speciaal aangemaakt voor dit experiment," ging de professor verder. "We bedekken de barbaar straks met dit ijs en dan kijken we hoe dik zijn bloed wordt, en hoe lang zijn organen het volhouden. Voordat hij doodgaat halen we hem uit het ijs als we er tenminste op tijd bij zijn." Hij glimlachte weer.

Nog maar één been zat vast.

"We maken een snee in zijn arm waardoor we doorlopend zijn bloed aftappen, en om de vijf minuten meten we zijn hartslag. Ik denk dat we daar heel nuttige wetenschappelijke conclusies uit zullen kunnen trekken."

"Eh, professor..." zei een van de andere geleerden. "Het spijt me dat ik u moet onderbreken, maar ik geloof dat uw experiment de benen neemt."

"Wát?" De hooggeleerde medicus draaide zich met een ruk om.

De jongen gleed van de snijtafel en rende op zijn blote voeten de trap op.

"Hou hem tegen! Grijp hem!" schreeuwde de professor.

De studenten sprongen op en vielen over elkaar heen in hun haast om de vluchteling te pakken.

*

De jongen voelde overal handen die naar hem graaiden. Hij sloeg om zich heen, maar ze waren met te veel. Iemand greep zijn hoofd vast en bonkte ermee tegen de houten traptreden, en nog een keer - en nog een keer.

Toen werd alles wit; het plafond dwarrelde omlaag als een sneeuwbui, de muren veranderden in ijsbergen. Vlak voor hij het bewustzijn verloor schoten er herinneringen door zijn hoofd, aan thuis, aan het winterhuis op Ittimiini, aan Orpa, van wie hij hield, en aan Umik, die dood was.

Van de woorden die de man daarnet had gesproken had hij alleen het woord dood verstaan. Ze gingen hem doodmaken, dat begreep hij. Daarom hadden ze hem vastgebonden. Daarom lagen die messen daar.

Hij kwam hier niet levend vandaan.

 

Lees verder in het boek!

 

  *  

Lees nog een fragment Heb je het eerste fragment al gelezen?